Modulair transportverdeelstation Enexis staat model voor uitbreiding elektriciteitsnet

Modulair transportverdeelstation Enexis staat model voor uitbreiding elektriciteitsnet
Foto's: Johan Nebbeling

De een trekt de vergelijking met de industriële revolutie, de ander met de Deltawerken. Hoe dan ook is de noodzakelijke capaciteitsuitbreiding van ons elektriciteitsnet een opgave die alleen te realiseren is met onconventionele bouwmethoden. In Oude Pekela verrijst binnen een half jaar een modulair transportverdeelstation dat een standaard moet worden voor Nederland.

“Wat we in honderd jaar hebben opgebouwd, moeten we in tien jaar verdubbelen”, schetst manager productiestraten Geert Heidekamp van Enexis de opgave waarvoor niet alleen zijn werkgever, maar alle Nederlandse netbeheerders zich gesteld zien. Met andere woorden: niet alleen moet het elektriciteitsnetwerk worden uitgebreid om te kunnen voldoen aan de huidige en toekomstige vraag naar stroom, het moet ook in een tot dusver ongekend hoog tempo gebeuren.

Want zoals inmiddels steeds meer mensen, instellingen en bedrijven aan den lijve ondervinden: het elektriciteitsnet barst uit zijn voegen. De vraag naar stroom is de laatste jaren zo enorm gestegen, en zal de komende jaren verder stijgen, dat de levering van elektriciteit – sinds honderd jaar een vaste waarde in Nederland – niet meer te allen tijde kan worden gegarandeerd. Nu al kunnen netbeheerders soms geen stroom meer leveren aan nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen.

75.000 kilometer kabel

Op een kil bouwterrein in een weiland nabij Oude Pekela verrijst het antwoord van Enexis op de opgave die voor ligt. Althans op een deel daarvan, want behalve dat de netbeheerder de komende zeven jaar in haar werkgebied achthonderd nieuwe transportverdeelstations moet realiseren, is het ook de bedoeling dat er in de woonwijken tienduizenden transformatorhuisjes bij komen en in totaal meer dan 75.000 kilometer kabel in de grond wordt gelegd. De operatie kost alleen Enexis al naar schatting 9 miljard euro; voor heel Nederland is een investering van tientallen miljarden euro’s voorzien.

Met een conventionele aanpak bouwen we tien transportverdeelstations per jaar, in deze nieuwe aanpak moeten dat er 120 worden””
— Geert Heidekamp, Enexis

Er is maar één manier waarop we deze opgave op tijd kunnen realiseren, zegt Heidekamp. “En dat is standaardisering. Met een conventionele aanpak kunnen we hooguit tien transportverdeelstations per jaar bouwen, met onze nieuwe aanpak moeten dat er jaarlijks 120 worden.”

Proof of concept

Het bewijs van die nieuwe aanpak is het onopvallende, groen geschilderde rechthoekige betonnen bouwwerk bij Oude Pekela, dat bij Enexis te boek staat als proof of concept: een versnelde manier van bouwen van een volledig transportverdeelstation, inclusief transformatoren, schakelinstallatie en kabels, als testcase die in de praktijk moet aantonen dat het werkt zoals op de tekentafel bedacht.

Vooralsnog lijkt dat het geval. In ieder geval wat betreft tijdwinst. “We zijn op 4 november begonnen met de bouw”, zegt woordvoeder Cyriel Hamstra van Enexis. “En” – wijzend op het gebouw dat na vier maanden al nagenoeg gereed lijkt – “moet je zien hoe ver wel al zijn. Normaal zou de bouw van een transportverdeelstation als dit zeker een jaar kosten.”

De betonnen muren van de trafocellen staan, het dak op het gebouw is geplaatst, evenals de twee oliegekoelde transformatoren en schakelkasten. De ondergrondse kabels zijn nagenoeg allemaal aangesloten. Elektromonteurs zijn druk bezig met het aanbrengen van de laatste verbindingen in de schakelkasten, een minutieus karwei. Misschien nog een maand en dan is het transportverdeelstation gebruiksklaar.

Bouwpakket

De tijdwinst wordt geboekt, omdat in het voortraject veel werk is verzet. Het transportverdeelstation is ontworpen als bouwpakket, waarbij de afzonderlijke onderdelen in de fabriek zijn geproduceerd en vervolgens op de bouwplaats in elkaar zijn gezet. Eerst zijn de prefab betonnen wanden geplaatst, vervolgens zijn de complete, door Siemens aangeleverde schakelkasten en de door Eltas geleverde oliegekoelde transformatoren ingetakeld en daarna is het dak aangebracht. Bovendien zijn de inkomende kabels van de onderstations en de uitgaande kabels naar de transformatorhuisjes in de wijken, als bundels geprefabriceerd, geplaatst. Kwestie van aansluiten en klaar is Kees. 

Hamstra: “Aan de ontwikkeling van deze proof of concept heeft een team van engineers en specialisten van verschillende partijen gewerkt. Daar is veel tijd en energie in gaan zitten. Maar nu dit concept er ligt, boeken we een enorme tijdwinst met name op de engineering.”

Programmamanager Heidekamp: “Voorheen werd ieder transportverdeelstation afzonderlijk en specifiek ontworpen. Nu werken we met vier standaardtypes, waarmee we kunnen voldoen aan de huidige en toekomstige vraag naar elektriciteit in een gebied.” De vier types transportverdeelstations onderscheiden zich door hun capaciteit; het grootste kan stroom verdelen naar enkele tienduizenden huishoudens en bedrijven.

Geen openbare aanbesteding

Voor dit eerste modulaire transportverdeelstation werkt Enexis nauw samen met vaste partners. Hoofdaannemer van dit concept-project in Nieuwe Pekela is Alfen. Opmerkelijk: aan de samenwerking is geen openbare aanbesteding voorafgegaan. “Dat zou tot onnodig tijdverlies hebben geleid”, aldus Heidekamp. “We hebben voor deze Proof of Concept uiteraard wel contracten opgesteld, maar we werken hier samen op basis van vertrouwen. Deze manier van werken is voor alle partijen een leerproces.”

Een van de grootste obstakels is het vinden van geschikte locaties”
— Cyriel Hamstra, Enexis

Mocht de proof of concept een succes blijken – en er zijn volgens Heidekamp geen redenen om daaraan te twijfelen – dan is de deadline van achthonderd nieuwe transportverdeelstations in 2032 in principe haalbaar. In principe, want snel en modulair bouwen is één ding, het verkrijgen van de benodigde ruimte en vergunningen een ander.

Woordvoerder Hamstra: “We kunnen sneller bouwen dan ooit, maar als vergunningstrajecten twee jaar duren, verliezen we alsnog tijd. Een van de grootste obstakels is het vinden van geschikte locaties. Gemeenten en omwonenden zitten niet altijd te wachten op een groot schakelstation in hun achtertuin. Dat leidt soms tot onnodig lange vergunningstrajecten. Hier in Pekela waren de vergunningen snel geregeld, maar bijvoorbeeld in Oldambt zijn we al twee jaar bezig met de locatie van een station, omdat er veel weerstand is vanuit omwonenden.”

Waardervermindering

De omwonenden maken zich zorgen over aantasting van hun uitzicht, geluidsoverlast en waardevermindering van hun woning, ziet hij. "En dat begrijpen we. Maar we móeten verder. Zonder nieuwe stations loopt het hele elektriciteitsnet vast. Op zeker moment gaan mensen dat merken als ze hun warmtepomp niet meer kunnen aansluiten of moeten wachten op hun laadpaal.

"De energietransitie is geen ver-van-mijn-bedshow, maar raakt iedereen. Daarom proberen we omwonenden mee te nemen in het proces. We betrekken ze, uiteraard samen met de gemeente, bij het ontwerp, zorgen voor een groene inpassing en maken landschapsplannen."

Gemeenten die de vergunningverlening niet tijdig rond krijgen, waardoor de capaciteitsuitbreiding van het stroomnet stagneert, lopen de kans achteraan te moeten aansluiten, met alle gevolgen van dien voor hun inwoners. "Daar zijn we uiteraard niet op uit, maar we moeten tempo maken en kunnen ons geen vertragingen permitteren", aldus Hamstra.

Gekwalificeerd personeel

Een potentieel vertragende factor is ook het gebrek aan gekwalificeerd technisch personeel. Het aansluiten van kabels en het in- en afstellen van de complexe schakelinstallaties vraagt vakmanschap. “Wij zijn niet de enige in de branche die moeite hebben om voldoende gekwalificeerde monteurs te vinden. Dat personeelsprobleem lossen we voor een heel groot deel op door nog meer werkzaamheden vooraf in de fabriek te doen, zodat we minder specialisten op locatie nodig hebben.”

Onderwerpen aanpassen

Mijn artikeloverzicht kan alleen gebruikt worden als je bent ingelogd.